Sociaal domein

Succesfactoren binnen een ketensamenwerking: het opstellen van duidelijke basisregels (3/3)

Publieke organisaties werken steeds vaker in ketens en andere samenwerkingsverbanden om maatschappelijke opgaven op gebied van onderwijs, gezondheidszorg en welzijn effectief aan te pakken.

Ik ben Marieke Rorijs en sinds juni 2021 werkzaam als junior adviseur bij PROOF Adviseurs. In een drietal blogs zet ik de kenmerken en succesfactoren voor het inrichten van een effectieve ketensamenwerking uiteen. Mijn masterscriptie over de succesfactoren binnen ketensamenwerkingen neem ik hiervoor als basis. In mijn scriptie heb ik, aan de hand van zowel kwalitatief als kwantitatief onderzoek, gekeken naar de relatie tussen de ontwerpkenmerken van een ketensamenwerking en de proceseffectiviteit.

In het eerste deel ben ik ingegaan op de kenmerken van een ketensamenwerking en hoe een keten zich verhoudt tot een netwerk. Het tweede deel en derde deel richten zich elk op één van de succesfactoren binnen een ketensamenwerking, namelijk 1) de inclusie van een brede groep belanghebbenden en 2) het opstellen duidelijke basisregels. In dit derde en laatste blog staat het opstellen van duidelijke basisregels centraal.

Wat houdt het opstellen van duidelijke basisregels in?

Duidelijke basisregels zijn vaste en consistent toegepaste regels en afspraken die binnen een ketensamenwerking gelden. Deze regels kunnen gaan over de toegang tot de ketensamenwerking en dus onder welke voorwaarden een organisatie zich kan aansluiten bij de samenwerking. Ook kan het gaan over de interactie binnen de keten. Hierbij valt te denken aan welk gedrag gewenst is binnen de keten en op welke momenten en op welke manier er met elkaar wordt gecommuniceerd.

Waarom is het nodig?

Het opstellen van basisregels zorgt ervoor dat de ketenpartijen handelen volgens een vaste set aan regels en afspraken. Deze vaste set aan regels maakt het dat samenwerking überhaupt kan plaatsvinden. Als er namelijk niet teruggevallen kan worden op een vaste set aan regels, normen en afspraken zou samenwerking vrijwel onmogelijk zijn vanwege de aanzienlijke transactiekosten. Naast dat regels samenwerking mogelijk maken zorgen ze ook voor stabiliteit en voorspelbaarheid voor de ketenpartijen.

Tot slot hebben ketenpartijen de neiging om het samenwerkingsproces enigszins sceptisch aan te gaan; ze zijn gevoelig voor rechtvaardigheidskwesties, willen zichzelf behoeden voor manipulatie en zijn bezorgd over de machtsverhoudingen tussen alle deelnemende organisaties. Het opstellen van duidelijke en consistente toegepaste basisregels helpt bij het wegnemen van deze sceptische houding. Het stelt ketenpartijen namelijk gerust dat het proces eerlijk en open verloopt. Kortom, regels maken interactie mogelijk, bieden stabiliteit en zekerheid en vormen ook de basis waarop het vertrouwen van ketenpartijen kan worden gebaseerd.

Wat zegt de praktijk?

Vanuit de literatuur wordt het opstellen van duidelijke basisregels gezien als een succesfactor binnen verschillende samenwerkingsverbanden. In mijn onderzoek heb ik, op zowel kwalitatieve als kwantitatieve wijze, getoetst of deze succesfactor ook daadwerkelijk op gaat in de praktijk. De kwantitatieve resultaten heb ik verkregen vanuit een enquête die ik heb uitgezet onder mensen die betrokken zijn bij het organiseren of uitvoeren van een ketensamenwerking binnen het onderwijs of (jeugd)zorg. De kwalitatieve resultaten zijn verkregen door participatieve observatie binnen de ketenaanpakken die PROOF Adviseurs ontwikkeld voor mantelzorgers en mensen met een chronische aandoening.

De resultaten van de enquête laten een positief en significant verband zien tussen het opstellen van duidelijke basisregels en de uiteindelijke effectiviteit van een ketensamenwerking. Met andere woorden; wanneer er bij de ontwikkeling en/of uitvoering van een ketensamenwerking duidelijke basisregels worden opgesteld heeft dit een positieve gevolgen voor de effectiviteit van de samenwerking.

Deze (kwantitatieve) positieve relatie werd onderschreven door de observaties binnen de twee ketensamenwerkingen die PROOF Adviseurs ontwikkeld. De geobserveerde organisaties geven aan dat het noodzakelijk is dat ketenpartijen vaste en structurele overlegmomenten inplannen. Dit zorgt ervoor dat ketenpartijen betrokken blijven en op de hoogte gehouden worden van ontwikkelingen. Daarnaast kunnen vaste overlegmomenten dienen als evaluatiemoment.

Tot slot kunnen duidelijke basis regels (wat betreft interactie) ervoor zorgen dat ketenpartijen meer inzicht krijgen in elkaars werkzaamheden. De organisaties binnen de twee ketenaanpakken die PROOF Adviseurs ontwikkeld blijken, zeker in de ontwikkelfase, niet altijd op de hoogte te zijn van welke ketenpartij welke werkzaamheden verricht. Door interactie in te richten wordt het mogelijk om de lijntjes binnen de keten te verkorten en sneller te kunnen schakelen tussen ketenpartijen. Dit maakt het voor ketenpartijen makkelijker om elkaar te benaderen, om hulp te vragen en van elkaar te leren.

Wat kunnen we hiermee?

Elke ketensamenwerking wordt gekenmerkt door een specifieke en unieke set van formele en informele (basis) regels. Het opstellen van duidelijke basisregels is dan ook een essentieel component tijdens het inrichten van een nieuwe ketensamenwerking of bij het optimaliseren van een bestaande samenwerking. Deze basisregels zien voornamelijk op afspraken over de interactie binnen de keten, zoals vaste overlegmomenten. Mocht de effectiviteit van een ketensamenwerking niet optimaal zijn kan het dus geen kwaad om ook eens de geldende basisregels wat betreft interactie te evalueren. Of misschien zijn er nog wel helemaal geen basisregels. Dan is het noodzakelijk om deze, eventueel met een onafhankelijke procesbegeleider, op te stellen.

Wilt u meer weten over het onderzoek? Of wilt u eens sparren over het inrichten van een nieuwe ketensamenwerking of optimaliseren van een bestaande ketensamenwerking?  Neem contact met mij op via marieke@proofadviseurs.nl

 

 

Succesfactoren binnen een ketensamenwerking: brede inclusie van belanghebbenden (2/3)

Publieke organisaties werken steeds vaker in ketens en andere samenwerkingsverbanden om maatschappelijke opgaven op gebied van onderwijs, gezondheidszorg en welzijn effectief aan te pakken.

Ik ben Marieke Rorijs en sinds juni 2021 werkzaam als junior adviseur bij PROOF Adviseurs. In een drietal blogs zet ik de kenmerken en succesfactoren voor het inrichten van een effectieve ketensamenwerking uiteen. Mijn masterscriptie over de succesfactoren binnen ketensamenwerkingen neem ik hiervoor als basis. In mijn scriptie heb ik, aan de hand van zowel kwalitatief als kwantitatief onderzoek, gekeken naar de relatie tussen de ontwerpkenmerken van een ketensamenwerking en de proceseffectiviteit.

In het eerste deel ben ik ingegaan op de kenmerken van een ketensamenwerking en hoe een keten zich verhoudt tot een netwerk. Het tweede deel en derde deel richten zich elk op één van de succesfactoren binnen het ontwerpen van een ketensamenwerking, namelijk de inclusie van een brede groep belanghebbenden en het opstellen duidelijke basisregels. In deze blog staat de inclusie van een brede groep belanghebbenden centraal.

Wat houdt een brede inclusie van belanghebbenden in? En waarom is het nodig?

Een brede inclusie van belanghebbenden omvat drie, met elkaar samenhangende, aspecten: 1) een brede groep belanghebbenden wordt betrokken, 2) relevante belanghebbenden worden niet uitgesloten en 3) minder goed vertegenwoordigde belanghebbenden worden gemobiliseerd.

De inclusie van belanghebbenden is een veelbesproken concept binnen de wetenschappelijke literatuur over zowel collaboratieve governance als over het institutioneel ontwerp van samenwerkingen. Verschillende onderzoeken laten zien dat er bij de inrichting van succesvolle ketensamenwerkingen veel aandacht wordt besteed aan het betrekken van belanghebbenden. Daarnaast blijkt het uitsluiten van kritische belanghebbenden ook een belangrijke reden voor mislukking.

Onderzoek van Nissen (2014)* komt tot soortgelijke resultaten en stelt dat een zwakke vertegenwoordiging van belanghebbenden de legitimiteit en effectiviteit van een samenwerking ondermijnt. Ansell, Doberstein, Henderson, Siddiki en ’t Hart (2020)* voegen hieraan toe dat een gebrek aan brede inclusie leidt tot het verlies van waardevolle kennis en middelen waardoor er een grotere kans bestaat dat ontevreden belanghebbenden weigeren mee te werken aan de implementatie van de ketensamenwerking.

Tot slot is een brede inclusie wenselijk vanwege zijn ‘democratiserende’ effect. Het betrekken van een bredere en/of meer diverse groep belanghebbenden zorgt namelijk voor een verhoogde kans op participatie en inspraak. Een brede inclusie geeft alle belanghebbenden een gelijke kans om deel te nemen aan de keten waardoor de democratische legitimiteit van de ketensamenwerking als geheel wordt vergroot.

Wat zegt de praktijk?

In mijn onderzoek heb ik bovenstaande ideeën vanuit de literatuur op zowel kwantitatieve als kwalitatieve wijze getoetst in de praktijk. De kwantitatieve resultaten zijn verkregen vanuit een enquête die is uitgezet mensen die betrokken zijn bij het organiseren of uitvoeren van een ketensamenwerking binnen het onderwijs of (jeugd)zorg. De kwalitatieve resultaten zijn afkomstig van de participatieve observatie die is uitgevoerd binnen twee ketensamenwerkingen die PROOF Adviseurs ontwikkeld: 1) de keten ter preventie en terugdringen van depressies bij mantelzorgers en 2) de keten ter preventie en terugdringen van depressies bij mensen met een chronische aandoening.

De resultaten van de enquête laten een positieve en significante correlatie zien tussen een brede inclusie van belanghebbenden en de proceseffectiviteit van een ketensamenwerking. Met andere woorden; wanneer er bij de ontwikkeling en/of uitvoering van een ketensamenwerking een breed aantal betrokkenen worden geïncludeerd heeft dit positieve gevolgen voor de proceseffectiviteit.

Deze positieve relatie werd onderschreven door mijn observaties binnen de twee ketensamenwerkingen die PROOF Adviseurs ontwikkeld. De geobserveerde organisaties gaven aan dat er naast reguliere zorginstellingen ook gekeken moet worden naar organisaties in het netwerk rondom de patiënt. Juist organisaties als scholen, sportclubs, werkgevers, patiëntenverenigingen, gemeenten, buurhuizen of religieuze organisaties hebben een belangrijke rol in de keten. Zij bieden dan wellicht geen zorg, maar spelen wel een essentiële rol in informatievoorziening en/of signalering.

Inclusie van deze bredere groep belanghebbenden is, volgens de geobserveerde organisaties, een vereiste voor een integrale en sluitende ketenaanpak. Wanneer dit niet gebeurd leidt dit tot implementatie problemen en vertragingen in het vervolgproces. Belanghebbenden zijn dan namelijk niet bekend met de keten en de gehanteerde werkwijze binnen de keten.

Wat kunnen we hiermee?

Een brede inclusie van belanghebbenden blijkt dus essentieel te zijn voor een ketensamenwerking. Het is daarom geen overbodige luxe om goed kaart te brengen welke belanghebbenden een rol spelen of zouden kunnen spelen in de toekomst. Dit kan een tijdrovend proces zijn aangezien maatschappelijke problemen domein overstijgend zijn en het aantal betrokken organisaties zeer uiteenlopend is. Om implementatie problemen in de toekomst te voorkomen is het advies daarom om al vanaf het begin, bij het ontwerpen/ontwikkelen van de ketensamenwerking, met een brede groep belanghebbenden te betrekken. Een goede voorbereiding is immers het halve werk!

Wilt u meer weten over het onderzoek of sparren over het samenwerken binnen ketens? Neem contact met mij op via marieke@proofadviseurs.nl

 

*Nissen, S. (2014). Who’s in and who’s out? Inclusion and exclusion in Canterbury’s
freshwater governance. New Zealand Geographer, 70(1), 33–46.

*Ansell, C., Doberstein, C., Henderson, H., Siddiki, S., & ‘t Hart, P. (2020). Understanding
inclusion in collaborative governance: a mixed methods approach. Policy and
Society, 39(4), 570–591. https://doi-org.eur.idm.oclc.org/10.1080/14494035.2020.1785726

Samenwerken in ketens of in netwerken: wat is het verschil? (1/3)

Publieke organisaties werken steeds vaker in ketensamenwerkingen om maatschappelijke opgaven op gebied van onderwijs, gezondheidszorg en welzijn effectief aan te pakken.

Ik ben Marieke Rorijs en sinds juni 2021 werkzaam als junior adviseur bij PROOF Adviseurs. In een drietal blogs zet ik de kenmerken en succesfactoren voor het inrichten van een effectieve ketensamenwerking uiteen. Mijn masterscriptie over de succesfactoren binnen ketensamenwerkingen neem ik hiervoor als basis. In dit onderzoek heb ik, aan de hand van zowel kwalitatief als kwantitatief onderzoek, gekeken naar de relatie tussen de ontwerpkenmerken van een ketensamenwerking en de proceseffectiviteit. Het onderzoek is uitgevoerd binnen ketensamenwerkingen rondom verschillende maatschappelijke thema’s, zoals depressiepreventie, onderwijs en (jeugd)zorg. Ook de ketenaanpakken voor depressiepreventie bij mantelzorgers en mensen met een chronische ziekte, die PROOF Adviseurs ontwikkelt in opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn & Milieu, vielen binnen de scope van het onderzoek.

In dit eerste deel zal ik in gaan op de kenmerken van een ketensamenwerking en hoe een keten zich verhoudt tot een netwerk; sluiten ze elkaar uit? Of vullen ze elkaar juist aan? Het tweede deel en derde deel richten zich elk op één van de succesfactoren binnen het ontwerpen van een ketensamenwerking, namelijk het betrekken van een brede groep belanghebbenden en het opstellen duidelijke basisregels.

Wat is een keten?

Het samenwerken in ketens is gebaseerd op het idee dat door het systematisch aanbrengen van schakels tussen organisaties er een plaatsvindt. Individuele organisaties worden beperkt in het leveren van complexe sociale diensten of producten door technologische, politieke en/of cognitieve beperkingen. Binnen een ketensamenwerking kan een organisatie toegang krijgen tot kennis, complementaire vaardigheden, technologieën of markten van andere organisaties, waardoor complexe sociale diensten of producten gezamenlijk kunnen worden geleverd.

Binnen een keten voeren diverse gespecialiseerde organisaties, elk onafhankelijk van elkaar, een deelproces uit. Door al deze deelprocessen achter elkaar uit te voeren en samen te werken, wordt een organisatie overstijgend product of dienst gerealiseerd. De focus op een organisatie overstijgend product laat een sterke link zien met het concept van collaborative governance. Collaboratieve governance gaat namelijk uit van het bereiken van een organisatie overstijgend doel wat, zonder samenwerking, niet volbracht zou worden.

Binnen mijn onderzoek hanteer ik de volgende definitie van een ketensamenwerking: “een samenwerkingsverband tussen diverse gespecialiseerde partijen die zowel zelfstandig als afhankelijk van elkaar functioneren omdat ze opeenvolgende handelingen uitvoeren, gericht op het behalen van een gezamenlijk resultaat” (van den Berg & Maas, 2013, p.209).

Deze definitie geeft ons een viertal kenmerken van ketensamenwerkingen mee:

  1. Een keten bestaat uit meerdere partijen, ook wel ketenpartners. 
  2. Ketenpartners zijn zowel zelfstandig als afhankelijk. Het zijn zelfstandige organisaties, maar zijn tegelijkertijd ook afhankelijk van elkaar, omdat geen enkele ketenpartner het ketenprobleem zelfstandig op kan lossen.
  3. Alle ketenpartners hebben eigen middelen en doelen. De individuele organisatiedoelen van de ketenpartners kunnen van elkaar verschillen en/of niet op elkaar aansluiten, maar op ketenniveau richten de organisatiedoelen zich op het behalen van het gezamenlijk doel of resultaat.
  4. De ketenpartners voeren opeenvolgende handelingen uit. Binnen een ketensamenwerking voeren ketenpartners opeenvolgend handelingen uit. Deze handelingen hoeven echter niet altijd in dezelfde volgorde plaats te vinden. Een handeling kan de ene keer via organisatie X, naar Y en Z gaan en de andere keer via organisatie X naar B en Y. Op deze manier kan er afhankelijk van het specifieke vraagstuk maatwerk geboden worden binnen de keten.
Keten versus netwerk?

Er ontstaan regelmatig discussies over of we het moeten hebben over ketens of juist over netwerken. In de basis starten netwerken en ketensamenwerkingen vanuit hetzelfde gedachtegoed; het gaan om het behalen van resultaten die niet door een individuele organisatie alleen bereikt kunnen worden, maar enkel door het samenspel van meerdere organisaties.

Vaak wordt gesteld dat ketens sequentieel, lineair en mechanisch zijn en dat ketens om deze reden niet aansluiten bij hedendaagse complexe maatschappelijke opgaven. Er heerst het idee dat er binnen een keten volgens een strak en vast schema wordt doorverwezen. Dit idee is afkomstig uit sectoren waar ketens het eerst zijn ontstaan (o.a. transportketens) omdat hier een vaste volgordelijkheid nodig is om de kwaliteit te waarborgen. Ketens binnen het sociale domein hebben echter juist flexibiliteit nodig om de kwaliteit te waarborgen.

De literatuur over ketens binnen het sociale domein heeft zich de laatste jaren dan ook verruimd naar het begrijpen van een keten als een deel van een netwerk. Met andere woorden: ketenprocessen zijn ingebed in een breder en dynamisch netwerk. Het netwerk focust zich op het formuleren van een gezamenlijke integrale visie en binnen de keten worden vervolgens de volgtijdelijke handelingen uitgevoerd. Door een keten te zien in de context van een netwerk wordt ook flexibiliteit mogelijk. Steeds andere partners uit het netwerk kunnen deelnemen aan de keten, afgestemd op de behoefte.

Binnen een netwerk zijn er geen duidelijke gezagsverhoudingen en werken veel verschillende organisaties in steeds wisselende combinaties samen. Daarnaast worden er door fusies, decentralisaties en privatisering steeds meer organisaties aan het netwerk toegevoegd. Wanneer verschillende organisaties elkaar onbewust tegenwerken of aan hetzelfde doel werken zonder dit van elkaar te weten kan dit leiden tot inefficiëntie. Een ketensamenwerking is daarentegen in staat om de handelingen uit een netwerk te stroomlijnen en op elkaar af te stemmen, waardoor efficiëntie ontstaat.

Kortom; ketens en netwerken hebben elkaar nodig en sluiten elkaar niet uit.

Wilt u meer weten over het onderzoek of sparren over het samenwerken binnen ketens? Neem contact met mij op via marieke@proofadviseurs.nl

Taalontmoeting op de werkvloer

In de gemeente Rotterdam hebben 90.000 mensen moeite met de Nederlandse taal. Niet alleen mensen met een migratieachtergrond, maar ook inwoners die hier geboren en getogen zijn. Meer dan de helft van mensen met onvoldoende taalvaardigheid werkt. Maar loopt risico’s, mist loopbaankansen of kan ook naast het werk niet doen wat zij zouden willen doen. Zoals je kinderen voorlezen. Taal is een belangrijke werknemersvaardigheid, waar ook bedrijven alle belang bij hebben. Uit eerder onderzoek blijkt bijvoorbeeld ook dat door de taalvaardigheid te versterken de gemiddelde arbeidsproductiviteit van werknemers met circa € 1.000 per jaar toeneemt. Voor bedrijven dus ook een gezonde ‘businesscase’ om daarin te investeren. Het gesprek over taalontwikkeling op de werkvloer komt echter niet automatisch tot stand. De gemeente Rotterdam heeft daarom aan R&J B.V, Ecorys en ons gevraagd om te onderzoeken wat er nodig is om dit gesprek tussen werkgever en werknemer te stimuleren.

Uit de resultaten kwam onder meer naar voren dat behoeften en motieven van werkgever en werknemer deels gelijk lopen en deels niet van elkaar verschillen. Beiden hebben behoefte aan goede taalvaardigheid. Wel verschillen de drijfveren om met taalontwikkeling aan de slag te gaan deels tussen werkgever en werknemer, maar die drijfveren, motieven en belangen versterken elkaar. Althans zouden elkaar moeten versterken, als er maar bewustzijn is van onvoldoende taalvaardigheid op de werkvloer en wat je daaraan kunt doen. Dat bewustzijn en die kennis is er echter in veel gevallen niet.

Op basis van het onderzoek hebben we een aantal aanbevelingen geformuleerd, waaronder:

  • De rol van de direct leidinggevende is cruciaal. Gerichte toerusting van hen is nodig om bewustzijn te creëren en op weg te helpen. Hoe weet je dat het speelt? Wat kun je doen als leidinggevende om het gesprek aan te gaan?
  • Er is veel aanbod van taaltraining in Rotterdam, maar werkgevers en werknemers weten dat vaak niet. Beter inzicht in het Rotterdamse taalaanbod ontzorgt en faciliteert werkgevers en werknemers.
  • Taal moet niet geïsoleerd wordt benaderd. Het hoort gewoon bij de reguliere werknemersvaardigheden, bij de ontwikkeling van werknemers (Leven Lang Ontwikkelen) en bij het bredere HRM- en kwaliteitsbeleid binnen bedrijven. Sluit daarbij aan.
  • Ontwikkel praktische triggers die binnen bedrijven kunnen worden gebruikt om het gesprek op gang te brengen. Bedrijven hebben bijvoorbeeld geadviseerd om een korte film te maken, die het vraagstuk kort en goed – met herkenbare praktijksituaties, rolmodellen, humor en oplossingen – visueel in beeld brengen. Dat bijvoorbeeld laten zien bij personeelsbijeenkomsten, in de kantine of via een link bij interne communicatie is volgens bedrijven een effectieve katalysator voor het gesprek binnen het bedrijf.

Het onderzoek is uitgevoerd op basis van veel gesprekken met bedrijven en werkenden. Daarnaast is literatuuronderzoek uitgevoerd en hebben we experts gesproken. Daarnaast is er een survey gehouden onder 133 Rotterdamse werkgevers, zijn er onder vijf Rotterdamse bedrijven verdiepende casestudies uitgevoerd en hebben we bij zeven bedrijven sparringsessies met werkgevers en werknemers gevoerd.

Het rapport naar het stimuleren van de “taalontmoeting op de werkvloer” kunt u hier lezen en de publiekssamenvatting hier.

Voor vragen of meer informatie kunt u contact opnemen met Henk Bakker, Henk@proofadviseurs.nl, 06-13000603.

Wetsvoorstel verplichte regionalisering van de jeugdhulp

Staatssecretaris Blokhuis (VWS) en minister Dekker (Rechtsbescherming) hebben vorige week de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang van hun aanpak om de jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering te verbeteren.

Een van wetsvoorstellen die in deze brief wordt benoemd is het wetsvoorstel ‘Verbetering beschikbaarheid zorg jeugdigen’. Met dit wetsvoorstel wordt de regionale samenwerking tussen gemeenten op het gebied van jeugdhulp verplicht. Daarnaast staan er in het wetsvoorstel verplichtingen omtrent de bestuursstructuur en financiële bedrijfsvoering van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen.

Wat staat er in het wetsvoorstel ‘Verbetering beschikbaarheid zorg voor jeugdigen’?

Specifiek houdt het wetsvoorstel een verplichting in voor gemeenten om een jeugdregio op te richten voor de organisatie van specialistische zorg voor jeugdigen. Gemeenten dienen voor het oprichten van de jeugdregio een gemeenschappelijke regeling (openbaar lichaam /bedrijfsvoeringsorganisatie/centrumregeling) te treffen. De regio-indeling wordt vastgelegd bij ministeriele regeling waarbij wordt uitgegaan van de huidige 42 regio’s.

De jeugdregio worden belast met de regionale inkoop en de bovenregionale afstemming. Daarnaast dienen de gemeenten binnen de jeugdregio een regiovisie op dienen te stellen. In deze regiovisie wordt in ieder geval in gegaan op de gezamenlijke organisatie van kinderbeschermingsmaatregelen, jeugdreclassering en bij of krachtens amvb te bepalen vormen van jeugdhulp. In 2020 heeft PROOF Adviseurs geadviseerd bij het opstellen van de regiovisie in de regio Rotterdam Rijnmond.

In het wetsvoorstel wordt ook de bovenregionale afstemming verplicht middels een op overeenstemming gericht overleg (OOGO), over specifieke specialistische vormen van jeugdhulp. Afstemming in de OOGO vindt in ieder geval plaats over:

  • (gesloten) woonvoorzieningen voor jeugdigen met complexe problemen in samenhang met het onderwijs,
  • jeugdhulp vanuit het gedwongen kader
  • de kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering
  • de expertisecentra voor jongeren met weinig voorkomende ernstige psychiatrische en/of anderszins complexe problematiek.

De status van het wetsvoorstel

Afgelopen zomer heeft de Raad van State een positief advies uitgebracht over het conceptwetsvoorstel. Het wetsvoorstel wordt doorgezet conform de uitspraak van de Commissie van Wijzen en het is de bedoeling dat het in het voorjaar van 2022 gereed ligt voor indiening bij de Tweede Kamer.

De volledige voortgangsbrief kunt u hier lezen. Wilt u meer weten over het wetsvoorstel dan kunt u contact opnemen met Ilse Wesseling, ilse@proofadviseurs.nl

Bundel Juridische vragen in het sociaal domein

Afgelopen zomer is de bundel Juridische Vraagstukken in het Sociaal domein gepubliceerd. De bundel voorziet juridische vraagstukken uit de sociaal domein-praktijk van wetenschappelijke antwoorden. Laura en Florian hebben vanuit hun praktijkervaring over samenwerking in het sociaal domein bijgedragen door twee hoofdstukken te schrijven.

Hoofdstuk 8 ‘Transformeren is ook het omarmen van de complexiteit – Mijn lessen uit vijf jaar transitie in het sociaal domein’ uit de bundel is geschreven door Florian. In dit hoofdstuk beschrijft Florian zijn persoonlijke lessen die hij sinds de transitie heb mogen leren over de zoektocht naar transformatie, de paradox van twee betekenissen van het woord ‘systeem’, het dilemma van marktwerking in het sociaal domein, het raadsel van het beste inkoopsysteem en ten slotte het vraagstuk van de juiste schaalgrootte.

Hoofdstuk 10 ‘Meer begrip bij grip op samenwerking?! Onze kijk op een belangrijke discussie’ is geschreven door Laura en Florian. Samen duiden ze het begrip ‘grip op samenwerking’ nader en gaan ze in waarom samenwerking niet weg te denken is uit het openbaar bestuur. Ook kijken ze naar de verschillen tussen ‘lichte’ en ‘zware’ samenwerking en of (nieuwe) wettelijke instrumenten grip kunnen versterken. Volgens Laura en Florian gaat ‘grip’ eigenlijk over vertrouwen en is er voor vertrouwen veel meer nodig dan institutionele governance. Procedurele en relationele governance zijn even belangrijk en worden soms over het hoofd gezien. Daarnaast pleiten Laura en Florian voor een dynamische benadering van governance.

De bundel Juridische Vragen in het Sociaal Domein is samengesteld onder redactie van mr. dr. G. Boogaard, mr. dr. C.B. Modderman en mr. drs. T.H.G. Robbe (ISBN: 9789013164657).

Rekenkameronderzoek jeugdhulp

De samenwerking in jeugdhulp kan nog beter. Veel gemeenten zoeken naar de juiste rol binnen de jeugdhulp en hoe ze grip en sturing kunnen houden. Uiteindelijk is het één groot samenwerkingsvraagstuk tussen gemeenten en zorgorganisaties. De gemeente Lelystad wil ook haar rol en plek binnen de samenwerking verbeteren, zodat er betere hulp ontstaat voor de gezinnen en jeugd van Lelystad. De Rekenkamer van Lelystad heeft ons gevraagd hier onderzoek naar te doen. Begin oktober is onze onderzoeksrapportage ‘Governance Jeugdhulp Lelystad’ aan de gemeenteraad gepresenteerd. Het onderzoek dient de gemeente Lelystad te helpen bij het leren van eerdere ervaringen en het vinden van de juiste rol voor elk gremium binnen jeugdhulp.

We hebben onderzoek gedaan naar de bestuurlijke aansturing, verantwoording en informatievoorziening rond het dossier jeugdhulp tijdens de periode van 20 maart 2014 tot 10 november 2020. Dit heeft geresulteerd in twee rapportages, een feitelijke- en bestuurlijke rapportage. In de bestuurlijke rapportage analyseren wij de feiten uit de feitelijke rapportage, geven wij onze bevindingen en conclusies en tot slot zeven aanbevelingen.

Het onderzoeksteam heeft gewerkt met een normenkader, waarbij we instrumenten als een documentenstudie, interviews, enquête, en (raads)sessies hebben ingezet. De zeven aanbevelingen geven handvatten aan de gemeente Lelystad om de interne samenwerking van de gemeente te verbeteren, zodat er een optimaal evenwicht tussen de samenwerkingsvorm, het juiste proces, uitstekende relaties en heldere en tijdige communicatie over proces en inhoud ontstaat.

Benieuwd naar al onze bevindingen en aanbevelingen? Lees dan hier de bestuurlijke rapportage “Governance Jeugdhulp Lelystad”. Voor meer informatie over het onderzoek kunt u contact opnemen met Maartje de Rond, maartje@proofadviseurs.nl