Columnreeks ontmoetingen: de burgemeester

Samenwerking kunnen we vanuit verschillende perspectieven bekijken: motieven, relaties, processen en vormen. Maar samenwerken is altijd mensenwerk. Wie maken en maakten in Nederland de samenwerking? In de serie ontmoetingen deelt adviseur Maarten Hageman herinneringen uit zijn jarenlange ervaringen met bestuurders, ambtenaren en adviseurs.

Mijn eerste burgemeester was, wat je tegenwoordig zou noemen, een leider. We schrijven omstreeks 1990. Het begrip bestuursstijlen bestond nog niet en bij leiderschap dachten we louter aan het leger of de scouting: iets met uniformen en bevelstructuren en dus ongeschikt voor een democratische overheid. De burgemeester in kwestie hield er een duidelijke visie op na en toonde in iedere situatie daadkracht. Een krachtige onderhandelaar, gezaghebbend maar ook onvoorspelbaar en gevreesd. Een mannetjesputter, heette dat destijds.

Gemeentelijke samenwerking was het werkterrein van vooral burgemeesters. In het nog monistische systeem waren de wethouders vergroeid met plaatselijke belangen en eigen fracties, dus was samenwerking iets voor burgemeesters. De heren – want er waren nog nauwelijks vrouwelijke burgemeesters – ontmoetten elkaar aan de bestuurstafels bij politie en brandweer of in hun voorname kring. Dan werd met distinctie gesproken over het lokale gedoe, terwijl sigarenrook omhoog kringelde naar de kroonluchters. Hoffelijk wenste men elkaar veel sterkte bij het rumoer rondom ieders dorpspomp thuis.

Toen rijk en provincies aandrongen op meer regionale samenwerking, waren het uiteraard de burgemeesters die in actie kwamen. Ook die van mij nam deze natuurlijke rol als vanzelf op zich. Hij had de boodschap snel klaar: laten we eerst eens beginnen met het strakker organiseren van de burgemeesterskring. Onder zijn leiding, uiteraard. Hij wist ook de gewenste samenwerkingsvorm: een openbaar lichaam van burgemeesters. Aan mij de opdracht dat uit te werken in een gemeenschappelijke regeling.

Nadat de pers lucht kreeg van deze ontwikkeling, bestookten kritische journalisten ons met vragen over het democratische gehalte van dit burgemeestersclubje. Daar wisten wij juristen wel raad mee: het betrof hier een wettelijk bevoegdheid van burgemeesters, en als de gemeenteraad ermee instemde, dan was het openbaar lichaam dus democratisch. Punt. Het was de tijd waarover bestuurskundigen later zouden opmerken dat de overheid zich vooral druk maakte over rechtmatigheidsvragen.

Je moet er nu niet meer aan denken: een samenwerkingsstructuur starten zonder een inhoudelijk motief of een maatschappelijk vraagstuk. Tegenwoordig beginnen we met een uitgebreide verkenning van thema’s, partijen, belangen en posities. Iedere samenwerking kent zo zijn eigen aandachtpunten. Met maatwerk ontwikkelen we samen de goede vormen en processen.

Waar bleven de samenwerkende burgemeesters? Het dualisme vergrootte de afstand tussen gemeenteraad en college, en het aantal onderwerpen waarvoor gemeenten gingen samenwerken groeide en groeide. Deze ontwikkelingen maakten dat wethouders steeds meer een rol innamen in de samen­werking. Voor burgemeesters restte ogenschijnlijk nog het eigen wettelijke samenwerkingsterrein, de openbare orde en veiligheid.

De Gemeentewet draagt echter nog altijd de burgemeester op om toe te zien op een goede samenwerking met andere gemeenten en overheden. Burgemeesters pakken die rol nog steeds, zeker wanneer ze de portefeuille personeel en organisatie beheren. We zien ze ook steeds vaker acteren in allerlei platforms voor regionaal-strategisch vraagstukken: de Economic Board, Regiegroep, Agendacommissie etcetera.

Netwerken en verbinden staan tegenwoordig centraal in de bestuursstijl van burgemeesters. Die competenties zien we opvallend vaak terug op de wensenlijstjes van de profielschetsen voor nieuwe burgemees­ters, zeker die van centrumgemeenten van succesvolle regio’s, zoals Regio Zwolle en Brainport Eindhoven. Burgemeesters moeten tegenwoordig zo’n beetje alles kunnen en ze dienen beslist ook te beschikken over moderne kwaliteiten als bruggenbouwer, toegankelijk, open en communicatief: niet toevallig stuk voor stuk persoonskenmerken die noodzakelijk zijn voor gemeentelijke samenwerking.

Mijn eerste burgemeester loodste beslist en met vaste hand de nieuwe samenwerking langs colleges en gemeenteraden, om vervolgens als voorzitter de regio verder te helpen. Van onze burgemeesters wordt nog altijd hetzelfde kunstje verwacht, maar nu ‘vanuit de inhoud’, netwerkend, van onderop, empathisch, verbindend en responsief. Mannetjesputter werd bruggenbouwer; het Burgemeestersclubje een Bestuurlijk Platform. Oude wijn in nieuwe zakken. Alleen de sigarenrook is definitief verdwenen. Dat dan weer wel.

Maarten Hageman